Donderdag 16 mei hebben Simon Verwer en ik de workshop Creativiteit meten: nuttig of niet? gegeven. We wilden samen met de deelnemers uitzoeken of je met een meetinstrument, dat door een groep Engelse onderzoekers (Lucas e.a 2013) was ontwikkeld, de creatieve ontwikkeling van leerlingen kunt bevorderen. In mijn inleiding liet ik, ietwat provocerend, een paar voorbeelden van de hiërarchie van Bloom zien met de opmerking “Zo niet”. Wat irriteert me eigenlijk aan die piramides en andere figuren waarin Blooms model vaak wordt geperst? Ik schreef er eerder over hier en hier.
Zo schreef ik in september vorig jaar:
Het is heel grappig om eens een Google Image Search te doen met Bloom. Dan krijg je een bonte verzameling plaatjes te zien: piramiden (rechtop of op hun kop), tabellen, cirkeldiagrammen, traptreden, doorgesneden uien, boomdiagrammen in diverse gradaties van ingewikkeldheid, bloemen, zelfs een kalkoen en dat allemaal in twee of drie dimensies. Je krijgt niet de indruk dat Bloom erin geslaagd is veel helderheid te brengen in de hoofden van onderwijzers en onderwijsonderzoekers.
Grappig of niet, in de meeste gevallen wordt Blooms werk op de verkeerde manier toegepast, wat op zijn minst niet bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs. Bloom heeft zelf het gebruik van zijn model als een hiërarchie van leerdoelen altijd afgewezen. Zijn boek heet niet voor niets “Taxonomy of educational objectives: the classification of educational goals”. Het is niet meer of minder dan een classificatie van leerdoelen die heel goed als checklist voor een lesplan is te gebruiken. Elke suggestie dat “creëren” bovenaan de leerhiërarchie staat en “onthouden” helemaal onderaan mist elke grond.
 |
Maar ook een variant waarbij de hiërarchie wordt omgedraaid (met creativiteit onderaan) voegt weinig toe als je in je lesplan mechanisch de stappen van “creativiteit” naar boven volgt. Je kunt je bovendien afvragen wat hier onder ‘creativiteit’ verstaan wordt. Is dat een tekening maken van Archimedes in bad, of een liedje over keizer Nero?
Het idee van een hiërarchie van leerdoelen is weinig productief. Met name het idee dat eerst de ene stap moet worden gezet voordat een leerling verder kan naar de volgende kan heel demotiverend uitpakken. Eerst uit je hoofd leren en stampen, voor je toekomt aan begrip en evaluatie kan leiden tot geestdodende lessen. Vooral wanneer je wat snellere klasgenoten aan de hand van de meester of de juf wel mogen analyseren en creëren. |
 |
Bloomin’ apps
De laatste tijd kom ik regelmatig door Bloom geïnspireerde schema’s tegen, waarin allerlei educatieve software en apps een plaatsje krijgen. Soms kom ik daar een app tegen die ik kan gebruiken, maar meestal stoor ik me alleen maar aan het zoveelste misverstand over creativiteit in het onderwijs.
Zie bijvoorbeeld deze (de zoveelste) piramide.

Of dit prachtig uitgevoerde taartdiagram met links naar de betreffende apps.

In beide plaatjes lijkt de ordening van apps in een bepaalde categorie volstrekt willekeurig. Waarom (in de piramide) Google bij “Understanding” en niet bijvoorbeeld bij “Evaluating”, of Google Sketchup bij “Applying” en niet bij “Creating”? En bij het “Padagogy wheel” zie ik Twitter staan bij “Remember/Understand” (?) en Evernote bij “Apply”. Als er iets is waarvoor ik Evernote dagelijks gebruik, is het bij mijn creatieve activiteiten: schrijven, lessen bedenken, coachen van leerlingen, ideeën noteren. Bij “Create” zie ik typisch ‘creatieve’ apps staan als iMovie, Garageband, TimeLapse Pro en Toontastic. Maar waarom Prezi hier en Keynote bij “Apply”? Wie naar Kathy Schrocks site Bloomin apps gaat kan zelf vaststellen hoe willekeurig die indelingen zijn. Zijn bijvoorbeeld schrijfapps als Google Docs, Pages en Word niet ook bij uitstek geschikt voor creatief werk? En tenslotte, ook met een potlood en een stuk papier (of nog minder) kun je onthouden, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren en creëren.
Mijn belangrijkste bezwaar tegen dit soort indelingen van leerdoelen en -activiteiten is dat ze een, in mijn ogen, verkeerd beeld van creativiteit geven. Bij al die schema’s heb ik vergeefs gezocht naar wat ik beschouw als een van de belangrijkste onderdelen van het creatieve proces: het stellen van vragen.
Creativiteit begint met vragen stellen
Misschien moet ik zeggen dat aan het stellen van vragen nog een stap vooraf gaat: Verwondering. Dat houdt in dat je de dingen die je waarneemt niet als vanzelfsprekend aanneemt, maar je kunt verbazen over wat je ziet, hoort, voelt, proeft of ruikt. Vervolgens stel je vragen. Dat zijn niet de vragen in een toets en ook niet persé de opdrachten in een leerboek, het is juist belangrijk dat leerlingen (maar ook docenten!) zich trainen in het zelf vragen stellen. Volgens de amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Daniel Willingham onthoud je datgene waarover je hebt nagedacht. Dingen waarover je je verwondert en waarover je vragen stelt zijn krachtige uitganspunten van een leerproces. De weg die je aflegt vanaf de eerste vragen, het zoeken naar en uitproberen van oplossingen en tenslotte de antwoorden, zorgt ervoor dat de kennis die je onderweg opdoet wordt opgeslagen in je langetermijngeheugen, het ‘blijft hangen’.
Dit is een aardige weergave van het wetenschappelijke denkproces en dat is dan ook precies zoals ik over lesgeven en de interactie van docenten en leerlingen denk. Voor mij is het ideale leerproces een voortdurend experimenteren, zoals ik (en ieder ander mens) deed toen ik een peuter was.
Als docent staan er allerlei middelen tot je beschikking om verwondering bij je leerlingen op te wekken en ze te stimuleren om vragen te stellen. Mij als natuurwetenschapper spreken de Mythbusters erg aan. Zij beginnen elke aflevering met een populair idee en stellen dat ter discussie. Daarna gaan ze aan de slag om die idee te ontkrachten (‘busted’) of bevestigen (‘confirmed’). Je kunt een hele lessenserie, een praktische opdracht, of een profielwerkstuk op deze manier opbouwen, maar ook als ‘opwarmer’ is een Mythbuster-aflevering heel geschikt. Als je daarna maar doorgaat met het stimuleren van vragen!
Ook Veritasium is een website die (bvoor de betavakken) het stellen van vragen kan stimuleren, met name hun YouTube channel ‘Misconceptions‘. De misvattingen die natuurkundige en programmamaker Derek Muller presenteert zetten je op het verkeerde been en dwingen je na te denken over de juiste opvattingen over bijvoorbeeld zwaartekracht of traagheid.
Zo zijn er nog talloze andere tv-programma’s en websites te noemen die leerlingen kunnen stimuleren in verwondering en vragen stellen. Hoofdzaak is dat het niet gaat om de de antwoorden, maar om de vragen. Maar ook met simpele ‘ouderwetse’ lesmethoden kun je een sterk effect bereiken. Een demonstratieproef of prakticumopdracht kan leerlingen uitdagen om vragen te stellen. En wat te denken van verhalen vertellen bij geschiedenis of aardrijkskunde? Of levenslessen die we van mythen en sprookjes kunnen leren?
Het Amerikaanse ‘Right Question Institute‘ heeft een krachtige methode ontwikkeld waarmee docenten hun leerlingen kunnen trainen in het stellen van vragen. Zie het boek en de artikelen van Rothstein en Santana. Ik heb er nog weinig ervaring mee, maar wil er beslist verder mee aan de slag.
Deze benadering van creativiteit kan de kwaliteit van het leren vergroten.
__________________________________________________
Referenties
Benjamin S. Bloom, Engelhart, M. D., Furst, E. J., Hill, W. H., & Krathwohl, D. R., 1956. Taxonomy of educational objectives: the classification of educational goals; Handbook I: Cognitive Domain New York, Longmans, Green.
Catherine H. Crouch, Adam P. Fagen, John Paul Callan and Eric Mazur, 2004. Classroom Demonstrations: Learning Tools or Entertainment? Am. J. Phys., 72, 835-838. Download.
Lucas, B., G. Claxton and E. Spencer (2013), “Progression in Student Creativity in School: First Steps Towards New Forms of Formative Assessments”, OECD Education Working Papers, No. 86, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/5k4dp59msdwk-en
Scott McLeod. Do students need to learn lower-level factual and procedural knowledge before they can do higher-order thinking? http://dangerouslyirrelevant.org/2012/02/do-students-need-to-learn-lower-level-factual-and-procedural-knowledge-before-they-can-do-higher-order-thinking.html. Laatst bezocht op 20/5/13.
Dan Rothstein, 2012. Setting Off and Sustaining Sparks of Curiosity and Creativity. Voices in Education: The Blog of Harvard Education Publishing. January 13, 2012 http://www.hepg.org/blog/69
Dan Rothstein & Luz Santana, 2011. Make Just One Change: Teach Students to Ask Their Own Questions. Harvard Education Press, 184 pp.
Dan Rothstein and Luz Santana, 2011. Teaching Students to Ask Their Own Questions: One small change can yield big results.
Harvard Education Letter: Volume 27, Number 5
Sept/Oct 2011 http://www.hepg.org/hel/article/507
Dan Rothstein and Luz Santana, 2011. Sharing the Power of the Question. ASCD Express: What Does a Whole Child Approach to Education Look Like? March 29, 2012. Volume 7, Issue 13. http://www.ascd.org/ascd-express/vol7/713-rothstein.aspx
Veritasium website http://www.veritasium.org/ en YouTube channel http://www.youtube.com/user/1veritasium.
Daniel T. Willingham, 2009. Why Don’t Students Like School? Jossey-Bass.
Creativiteit speelt op school, behalve bij de kunstvakken, een heel bescheiden rol. Creativiteit wordt vaak gezien als leuk kunnen tekenen of liedjes zingen. Bij de meeste andere vakken moet je gewoon leren wat in het boek staat en niet teveel lastige vragen stellen. Ik overdrijf misschien een beetje, maar Ken Robinson wees er in zijn veelbekeken TED-lezing Do schools kill creativity? dat dit een funeste invloed heeft op de ontwikkeling van jonge mensen.
Ik denk dat de meesten van ons de creativiteit van onze leerlingen graag zouden willen stimuleren, als we maar wisten hoe. De lesmethoden helpen niet erg mee. Die werken toch vooral toe naar ‘het juiste antwoord’ en bereiden voor op de vragen van het eindexamen. Niets mis mee, maar creatief kun je dat niet noemen.
Om de vraag te beantwoorden: ‘Hoe stimuleer ik de creativiteit van mijn leerlingen?’ organiseren Simon Verwer (@Denkfiguren) en ik twee workshops in het kader van TheCrowd.nl.
Twee vragen vooraf:
Waarom is creativiteit in het onderwijs belangrijk en is het belangrijk voor alle leerlingen?
Kun je iemands creativiteit meten en moet je dat willen?
Ik ben van mening dat creativiteit een centrale plaats in het onderwijs zou moeten hebben, bij alle vakken. Voor creativiteit bestaan allerlei definities, maar ik vind zelf deze heel bruikbaar:
Creativiteit is het vermogen van mensen om meerdere antwoorden op een vraag of meerdere oplossingen voor een probleem te vinden.
Dat is een eigenschap die voor iedereen nuttig is, of je nu kunstenaar, automonteur, hersenchirurg, politieagent, wiskundige, meubelmaker, socioloog of leraar bent. Degenen die in hun beroep het meeste succes hebben, zijn zonder uitzondering in hun vak de meest creatieven.
Daarbij is het stellen van de juiste vraag het belangrijkste en dat is precies waar we onze leerlingen te weinig in stimuleren.
Over de vraag of je creativiteit kunt en ook zou moeten meten werd naar aanleiding van mijn post op de groepsblog Onderzoek Onderwijs Nieuwe methode om creativiteit van leerlingen te meten soms fel gediscussieerd. Ik schreef daar over een methode die door een Britse onderzoeksgroep was ontwikkeld (Lucas, Claxton en Spencer, 2013) in opdracht van de OECD, en die op een aantal Engelse scholen is uitgeprobeerd.
In Antwoord op commentaren schreef ik onder andere:
Als docent vind ik het spannend jonge mensen te begeleiden in het proces naar [een] ingeving, een origineel idee, of nieuw product. Ik beleef veel plezier aan het samen nadenken over vragen en problemen en mogelijke wegen naar een oplossing. De antwoorden zijn dan niet direct het belangrijkste. Net als in de wetenschap roepen vragen weer nieuwe vragen op.
Als meetbare kenmerken van creatieve ontwikkeling onderscheiden [Lucas e.a.]: nieuwsgierigheid, fantasie/vindingrijkheid, vasthoudenheid, discipline en samenwerking, ieder weer onderverdeeld in drie subcategoriën. Die lijst lijkt me voldoende houvast te geven om de vorderingen van leerlingen te volgen.
Ik zie dit in de eerste plaats [...] als een coachingsinstrument, dat op drie manieren wordt gebruikt:
- leerlingen ontwikkelen hun creatieve vermogen door met dit instrument te reflecteren op hun eigen leeractiviteiten;
- de docent geeft feedback aan de leerling door middel van een gesprek over de door beiden genoteerde scores;
- de docent reflecteert met dit instrument op het effect van zijn of haar lessen en de gebruikte leermiddelen.
Dat laatste punt benadrukt dat lessen in creativiteit net zo belangrijk zijn voor de leraar als voor de leerling. Om leerlingen te helpen zich bewust te worden van hun creativiteit en die te ontwikkelen is het een voorwaarde dat de docent dat ook doet. Als het werkt, leidt deze aanpak tot betere, interessantere en uitdagender lessen. In alle vakken. Ook wiskunde, natuurkunde en andere ‘harde’ wetenschappen vragen om creativiteit.
Om ieder misverstand weg te nemen, het instrument is bedoeld als diagnostische methode om de creatieve ontwikkeling van jonge mensen te volgen, niet als summatieve toets. Je moet er niet aan denken dat iemand een rapportcijfer voor creativiteit zou geven.
Workshop ‘Creativiteit meten: nuttig of niet?’
In deze workshop willen we samen met andere docenten en onderzoekers nadenken over manieren om creativiteit bij jonge mensen te bevorderen. We gaan uit van het instrument dat ontwikkeld is door de groep van Lucas e.a. Het doel van dit instrument is om de creatieve ontwikkeling van leerlingen te kunnen volgen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet exclusief om de cultuurvakken. Onze opvatting en die van de Britse onderzoekers is dat creativiteit een onderdeel is van ieder vak. Simon Verwer en ik zien onze rol daarbij niet als die van cursusleider, maar als docenten met een eigen pakket aan ervaringen, die zoeken naar manieren om leerlingen in hun creatieve ontwikkeling te helpen. Van de deelnemers verwachten wij een zelfde opstelling. Ieder neemt zijn of haar expertise mee.
Samen met de deelnemers willen we in deze workshop een experimenteel onderzoek(je) opzetten waarbij verschillende instrumenten gebruikt kunnen worden om de creatieve ontwikkeling van leerlingen te volgen. Het idee is om 2x bij elkaar te komen, 1x voor de aftrap en 1x voor de terugkoppeling. Tijdens het onderzoek kan er natuurlijk digitaal met elkaar gecommuniceerd worden.
De workshop vindt plaats op:
donderdag 16 mei 17:00 – 20:30, inclusief borrel en pizza, op het Eerste Christelijk Lyceum (ECL), Zuider Emmakade 43, 2012 KN Haarlem.
Aanmelden: op de website van The Crowd http://www.thecrowd.nl/events/3M6C48F2/. Dan weten we hoeveel pizza’s we moeten bestellen en daar volgen ook verdere mededelingen, o.a. over vooraf te lezen literatuur en discussiepunten.
Voor wie The Crowd nog niet kent:
The Crowd is een open professionele leergemeenschap, een netwerk en een platform voor onderwijsprofessionals die de regie voor een levenlang leren in eigen hand willen houden en samen willen werken aan inspirerend onderwijs voor de toekomst. Bij The Crowd ben je in goed gezelschap, sluit je aan!
Hoe werkt The Crowd?
Deelnemers
Voor 250 euro per jaar word je deelnemer.
Toegang
Je verkrijgt daarmee onbeperkt toegang tot de activiteiten die we organiseren. Denk aan: trainingen, workshops, studiedagen, conferenties, themabijeenkomsten, co-creatie sessies, durftevragen-middagen, netwerk-bijeenkomsten en nog veel meer.
Je lidmaatschap kun je bijvoorbeeld betalen uit het scholingsbudget dat je school voor jou beschikbaar heeft.
Op maat
Je initieert zelf een activiteit omdat jij daar behoefte aan hebt. Kom met je plan, mobiliseer medestanders (bijvoorbeeld via het Prikbord) en maak het mogelijk!
Netwerk
Je wordt deelnemer van een open, flexibel netwerk van professionals. Kennisdeling en uitwisseling kenmerken dit netwerk. Jouw vraag hoeft nooit lang op een antwoord te wachten.
Ontwikkeling
Je maakt jouw eigen ontwikkeling zichtbaar. Laat zien wie je bent en wat je expertise is. Maak jezelf zichtbaar, in je school en binnen het netwerk van The Crowd.
Volgers
Misschien heb je wat meer tijd nodig om te bepalen of je deelnemer wilt worden van The Crowd. Daarom is het ook mogelijk om The Crowd te volgen.
Volgers:
- Worden via de website op de hoogte gehouden van activiteiten van The Crowd
- Ontvangen de nieuwsbrief
- Kunnen deelnemen aan kennismakingsactiviteiten (bijvoorbeeld Eventstorms)
Lees meer over The Crowd
_____________________________
Bronnen
Csikszentmihalyi, M. (1996), Creativity: Flow and the Psychology of Discovery and Invention, HarperCollins, New York.
Lucas, B., G. Claxton en E. Spencer (2013), Progression in Student Creativity in School: First Steps Towards New Forms of Formative Assessments, OECD Education Working Papers, No. 86, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/5k4dp59msdwk-en
pdf
Sir Ken Robinson, 2001. Out of Our Minds: Learning to Be Creative. Capstone. ISBN 1907312471[6]
Sir Ken Robinson, 2006. Why schools kill creativity – The case for an education system that nurtures creativity: TED Conference talk, Monterey, California. http://www.ted.com/index.php/talks/view/id/66
Prima ideeën van onze onderwijsminister, vanmorgen in De Volkskrant. Geen kwaad woord daarover. Intakegesprekken en kwaliteitsverhoging bij lerarenopleidingen. Alleen de besten mogen voor de klas. Ruimte voor professionalisering, levenlang leren, ruimte voor groei. Het klinkt als een advertentie voor een topbaan. Laten we daar niet cynisch over doen, maar kijken hoe we deze doelen ook nu met beperkte middelen kunnen realiseren.
Toch een paar vraagtekens.
Jet en Sander hebben het beste voor met het onderwijs, maar is dat haalbaar in een tijd waarin de politiek overal mogelijkheden voor bezuiniging zoekt in plaats van investeert in vernieuwing? Ik wil het eens niet over de lerarensalarissen hebben. Die zijn inderdaad niet riant, maar voor de meesten van ons weegt het plezier van werken met jonge mensen ruimschoots op tegen de matige financiële beloning. Veel van de ideeën van de minister hoeven niet veel te kosten. Intakegesprekken voor toekomstige studenten aan de lerarenopleidingen, om hun geschiktheid en motivatie vast te stellen, kosten niets en leveren veel op. Voor haar andere plannen is dat maar de vraag.
Als je onder professionalisering verstaat regelmatig bijscholen, vakliteratuur lezen, lesmateriaal en leerlijnen ontwikkelen, intervisie en coachen van nieuwe docenten, kom je niet om de vraag heen: wie gaat dat allemaal betalen? Bij mij op school hebben we een groeiende groep hoogopgeleide en bevlogen docenten – waaronder een met een Harvardopleiding, gepromoveerden en native speakers engels en duits – die niets liever zouden willen dan zich verder professionaliseren. Alleen, waar halen ze met een voltijdsbaan de uren vandaan om naast lesvoorbereiding, toetsen nakijken en tijdrovende gesprekken met mentorleerlingen en ouders zich in hun vak en pedagogisch en didactisch verder te bekwamen? Zelfs jonge docenten, vaak ook nog met kleine kinderen, zijn na zes of zeven lesuren in bomvolle klassen ‘s avonds uitgeteld. Na het eten, als de kinderen naar bed zijn, moeten ze nog tot 11 of 12 uur toetsen nakijken en hun lessen voorbereiden. Dan blijft er maar weinig ruimte en energie over voor de broodnodige professionele ontwikkeling.
Daarnaast is het niet uitzonderlijk als je in een mentorklas 10 of meer leerlingen hebt, die extra begeleiding nodig hebben. Gescheiden ouders, ziekte, familieconflicten, leer- en gedragsproblemen, pestgedrag. Als je als mentor je werk goed wilt doen, ben je per week al gauw een uur of vier, vijf kwijt aan intensieve begeleiding, waar je niet voor wordt betaald.
Goedkope alternatieven
Als er geen geld is om leraren voor hun professionele ontwikkeling te betalen, is de oplossing eenvoudig: minder contacturen en de urennorm omlaag brengen van 1040 naar 800 uur per jaar. Nederlandse scholieren brengen meer uren in klaslokalen door dan in veel andere landen, terwijl de onderwijsresultaten niet beter zijn. Met minder, maar effectievere lessen verwacht ik dat de resultaten minstens even goed, maar waarschijnlijk beter zullen zijn dan nu. Immers, de vrijkomende uren kunnen we besteden aan onze professionalisering en de begeleiding van leerlingen die extra zorg nodig hebben.
Hoewel de geluiden uit Den Haag goed klinken, ben ik nog niet onverdeeld optimistisch over de uitwerking in de praktijk. Voorlopig waait er nog een schrale wind van meer testen, afrekenen op resultaten en de teugels strakker aanhalen. Bepaald geen klimaat waarin creativiteit en vernieuwing kunnen bloeien. Tijd voor alternatieven, die als voordeel hebben dat ze weinig kosten.
Behalve de urennorm verlagen heb ik nog een paar goedkope adviezen aan de minister. Laat de onderwijsvernieuwing voor de verandering eens over aan de experts. Wij dus, die dagelijks voor de klas staan en weten wat er moet verbeteren en hoe je dat moet uitvoeren. Bespaar ons alsjeblieft de adviezen van deskundigen die in hun leven nog geen dag voor een klas met kinderen hebben gestaan, adviezen waarvan iedere leraar kan zien dat ze in de praktijk niet gaan werken. Adviezen die bovendien vaak heel veel geld gekost hebben. Zet peperdure managementadviesbureaus aan de kant. Bouw geldverslindende organisaties af, die het onderwijs nauwelijks vooruit helpen. En als we dan toch bezig zijn, geef de echte deskundigen, ons dus, een plek in adviesorganen, zoals de Onderwijsraad, zodat we niet meer worden opgescheept met onuitvoerbare of zelfs schadelijke plannen.
Een leraar is een professional die een vak beheerst dat je pas na jaren goed in de vingers krijgt, zoals een ingenieur, een wetenschapper, een hersenchirurg – of zelfs een kunst, zoals een musicus, een beeldhouwer of een danser. Wij leraren mogen best wat trotser zijn op ons vak. Het lijkt zo eenvoudig, maar er zijn maar weinig mensen die het kunnen.
Net thuis en nog zinderdend van Labyrinth, een productie van de theater masterclass van mijn school. Zelden een voorstelling gezien met zoveel jonge talenten, waarbij ik van het begin tot het eind op het puntje van mijn stoel zat. Een voorstelling met een licht absurde verhaallijn over leven, zoeken naar waarheid en identiteit, vastlopen en elkaar vinden in liefde. Een voorstelling die staat als een huis, met geweldige acteurs, zangers en dansers, een wereldband en ijzersterke theatertechniek. Ik ben trots op mijn leerlingen en collega’s die aan deze prachtige productie hebben gewerkt.
Mijn school, het ECL in Haarlem, is sinds vorig jaar cultuurprofielschool, maar staat al heel lang bekend als een kweekvijver voor muzikale, dramatische en danstalenten. Elk jaar hebben we open podiumavonden, een muziektheaterproductie en een voorstelling van de theatermasterclass. De masterclass verzamelt de beste acteurs, zangers en dansers onder onze leerlingen en staat onder leiding van dramadocente Christa Filius, die ook de stukken schrijft. Muziekdocent Martijn Breebaart heeft de muzikale leiding en Jaap van Overbeek, toa natuurkunde en theatertechnicus, leidt de techniekploeg samen met 5V-leerling Jurian Rozestraten.
Hoe begeleid je talent?
Op die vraag hebben Christa, Martijn en Jaap ieder hun eigen antwoord gevonden. Het geheim is, denk ik, vertrouwen geven, aanmoedigen, luisteren, serieus nemen en samen heel hard werken. Zij slagen er als coaches in jongeren ver boven zichzelf te laten uitstijgen. Ik heb bij de theatertechniek van dichtbij kunnen zien hoe bovenbouwleerlingen, die al wat langer meedraaien (zoals Jurian) tweede- en derdeklassers opleiden. Van de manier waarop dat gaat kunnen wij docenten nog wat opsteken. De nieuwkomers krijgen de ruimte om te experimenteren en zelf uit te vinden hoe de apparatuur voor geluid en belichting werkt. Iedereen krijgt een eigen verantwoordelijkheid, waarop ze door de anderen ook worden afgerekend. Jaap geeft de techniekploeg de mogelijkheid om veel te leren in het vertrouwen dat ze het kunnen. Je ziet dan ook in de loop van jaren het zelfvertrouwen van die leerlingen groeien.
Ik heb bij Christa en Martijn nog niet veel in de keuken kunnen kijken, maar ik denk dat het daar niet veel anders toegaat. Op deze manier is het Lyceumtheater een veilige haven geworden waar leerlingen, ieder op hun eigen wijze, hun talenten tot ontwikkeling kunnen brengen.
Tegelijk maakt zo’n avond me weemoedig. Het thema van het stuk is reizen en zoeken. Ik realiseer me dat onze leerlingen reizigers zijn, die even in onze herberg voorbij komen, zich daar voeden en dan verder trekken op hun weg. Wij herbergiers kunnen maar heel kort van onze gasten genieten en dan moeten we weer afscheid nemen. Maar de herinneringen aan al die mooie momenten blijven. En af en toe horen we hoe het onze gasten op hun verdere reis vergaat.
______________
Ik heb dit stuk geschreven op verzoek van Daan Trapman, die samen met Katja Keet, Tim Geertsen en Tess van Basten Batenburg de hoofdrol hebben in dit stuk.
De Jongensdip is de titel van een radiodocumentaire die op zondag 10 maart 2013 op Radio 1 in het programma Hollanddoc is uitgezonden. Het gaat over de lotgevallen van een groepje begaafde jongens die op het gymnasium begonnen, maar op hun 17de op de havo of het vmbo zijn beland. Na een veelbelovend begin in de brugklas raakten ze snel hun motivatie kwijt en presteerden steeds verder onder hun niveau. Het interessante van deze documentaire is dat de jongens glashelder analyseren hoe hun ‘jongensdip’ (hun eigen naam voor dit verschijnsel) is ontstaan. Daarbij zijn ze niet kinderachtig over hun eigen gedrag.
Onderpresteren is een serieus probleem in het onderwijs. Ik heb het al eens de grootste uitdaging voor scholen genoemd. Na beluisteren van deze documentaire van Casper Verbrugge ben ik er nog meer van overtuigd dat onderpresteren in een vroeg stadium moet worden aangepakt – en wel op de basisschool. (Zie ook het boek Onderpresteren op de Basisschool van Saskia Bruijn.) Op de middelbare school is dit gedrag vaak al zover ingesleten dat er nog maar heel moeilijk iets aan kan worden gedaan. Wat dit soort kinderen (maar eigenlijk alle kinderen) nodig hebben is uitdagend en creatief onderwijs vanaf het begin van de basisschool. Onderwijs dat aansluit bij de natuurlijke nieuwsgierigheid en leergierigheid van kinderen.
Natuurlijk komt onderpresteren ook bij meisjes voor. Maar mijn ervaring is dat het zich daar vaak wat anders uit en ook minder zichtbaar is dan bij jongens. Wanneer je onderpresterende jongeren begeleidt is het dan ook handig om je aanpak af te stemmen op ieders individuele behoeften. Ik hoop dat ik met Casper nog eens een documentaire kan maken over onderpresterende meisjes
De website van Holland Doc Radio:
Jongens in de leeftijd van 13 tot 17 jaar maken vaak een moeilijke periode door op de middelbare school. Hun prestaties gaan achteruit en ze verliezen de moed. Radio- en filmmaker Casper Verbrugge gaat met zijn zoon en drie van diens vrienden op zoek naar de oorzaken van deze jongensdip.
Een toegewijde leraar, Dick van der Wateren, en de ‘jongens’ pedagoog Dolf Hautvast komen tot opmerkelijke uitspraken. Dolf Hautvast houdt zich speciaal bezig met de ontwikkeling van jongens en was betrokken bij de oprichting van het expertisecentrum JongensTalent. Dick van der Wateren is geoloog, werkzaam in de wetenschapscommunicatie, maar vooral gepassioneerd docent.
Beter dan Caspers zoon en zijn vrienden kan ik het niet vertellen. Luister dus naar De Jongensdip.
Een blog van David B. Cohen, een docent Engels in Palo Alto, Californië, geeft een alternatief voor testen en nog meer testen, afrekenen op resultaten en prestatiebeloning in het onderwijs. Het gaat om het versterken van collectief leiderschap door alle geledingen van een school, de schoolleiding, docenten, ouders en bestuurders. Uit onderzoek in de VS en Canada blijkt dat scholen waar de verantwoordelijkheid voor onderwijsbeslissingen breed gedeeld wordt beter presteren dan scholen waar dat niet zo is. De blog is een krachtig pleidooi voor meer vertrouwen in leraren en het opleiden en bijscholen van leraren om hun leiderschapskwaliteiten te versterken. Dit onderzoek, Cohens blog en een documentaire die onlangs in Tegenlicht is uitgezonden, vertellen het zelfde verhaal dat Pasi Sahlberg over de hele wereld vertelt over het succes van het Finse onderwijs: geef leraren vertrouwen. Ik wil daaraan toevoegen dat docenten die een grotere verantwoordelijkheid hebben voor hun werk en een grotere invloed op belangrijke beslissingen, vermoedelijk minder werkdruk ervaren dan nu het geval is.
Teacher Leadership As A School Improvement Strategy
As we settle into 2013, I find myself increasingly optimistic about the future of the teaching profession. There are battles ahead, debates to be had and elections to be contested, but, as Sam Cooke sang, “A change is gonna come.”
The change that I’m most excited about is the potential for a shift towards teacher leadership in schools and school systems. I’m not naive enough to believe it will be a linear or rapid shift, but I’m confident in the long-term growth of teacher leadership because it provides a common ground for stakeholders to achieve their goals, because it’s replicable and scalable, and because it’s working already.
Lees de rest van zijn blog hier
Laten Nederlandse politici de woorden van Governor Brown van Californië ter harte nemen: "Trust our teachers". Docenten zijn bij uitstek degenen die weten wat het beste werkt in hun klassen, voor hun leerlingen. Die hebben geen autoriteiten op afstand nodig die hen vertellen hoe ze moeten lesgeven en hoe ze moeten testen.