Hoe begeleid je onderzoek door leerlingen?   4 comments

Onze eindexamenleerlingen moeten een pws maken, een profielwerkstuk, wat op onze school inhoudt dat ze een zelfstandig onderzoek doen. De laatste tijd is de kwaliteit van onze pws-en flink vooruit gegaan. Dat is vooral te danken aan een intensieve leerlijn “Onderzoeksvaardigheden” in de bovenbouw. Nu beginnen we tegen de beperkingen van onze aanpak aan te lopen. Soms ontstaan er misverstanden tussen leerlingen en begeleidende docenten  over de onderzoeksopzet.

Dat is die begeleiders niet kwalijk te nemen. De meesten hebben onze leerlijn niet gevolgd en bovendien hebben weinig VO-docenten ervaring in zelf onderzoek doen. Op deze plaats wil ik wat ideeën en ervaringen delen met iedereen, die plezier heeft in het begeleiden van eigen onderzoeken van leerlingen en gemerkt heeft dat dat soms lastig is. Die gedachten zullen tzt terecht komen in een masterclass onderzoek begeleiden voor docenten.

We  zijn dit schooljaar begonnen met een week waarin de 6V-klassen zich helemaal op hun pws konden concentreren. Eind november moeten de onderzoeken afgerond en de verslagen ingeleverd zijn, dus het is kort dag.  Ongeveer twee derde van de ruim 80 zesdeklassers had dinsdag wel ruwweg een idee wat ze wilden onderzoeken, maar voor de meesten was nog verre van helder hoe ze dat moesten aanpakken.

Voor alle duidelijkheid, wij stellen als eis aan een goed pws dat het een onderzoek is, dat voor de natuurwetenschappelijke vakken een experiment of veldonderzoek kan zijn, voor de alfa- en gammavakken een experiment, test of analyse volgens een in die disciplines gebruikelijke methode, bijvoorbeeld een enquete, dubbelblind onderzoek, tekstanalyse, historische analyse, gedachtenexperiment, filosofisch essay enz. Maar in alle gevallen moet het onderzoek uitgaan van een scherp geformuleerde onderzoeksvraag (of probleemstellling) en hypothese.

De grootste hobbel bij de begeleiding is leerlingen laten omschakelen van de ‘scholiermoduus’ naar de ‘onderzoekermodus’. Daarmee bedoel ik dat jongeren in de loop van tien, twaalf jaar onderwijs hebben afgeleerd zelfstandig na te denken, nieuwsgierig te zijn en te onderzoeken. Op school hebben ze geleerd sommen te maken, woordjes en grammatica te leren, feiten stampen, vragen beantwoorden enzovoort. Dat op elke vraag maar één goed antwoord is en dat antwoord vind je in het antwoordenboekje. Ze hebben afgeleerd vragen te stellen die buiten de lesstof vallen, de waaromvragen achter de kennis in de schoolboeken. Leerlingen met meer diepgaande filosofische vragen zijn vaak lastig. Ze houden de les op en bovendien weten we het antwoord zelf ook niet altijd.

En dan opeens, in hun eindexamenjaar verlangen we dat ze een weldoortimmerd pws inleveren. Reacties van leerlingen lopen uiteen van ontreddering en onzekerheid tot onderschatting van de moeilijkheid van de opdracht. In de loop van de vierde en vijfde klas hebben we ze enkele malen laten nadenken over het stellen van de goede vraag. Dat is het project ‘Onderzoeksvaardigheden’ en het onderdeel ‘De Verwondering’ waarover ik eerder schreef (hier en hier). Dat een goede, ondubbelzinnige en scherpe onderzoeksvraag de voorwaarde is voor een goed onderzoek weten ze inmiddels wel. Maar zo’n vraag bedenken valt niet mee.

De goede vraag

Sommigen komen automatisch aanzetten met ‘hoofdvragen en deelvragen’. En: hoeveel deelvragen moet je hebben? Dat is een concept dat ze blijkbaar in sommige lessen hebben geleerd. Ik ben daar geen voorstander van (om het zacht uit te drukken). Het gevaar is namelijk dat de onderzoeksvraag (‘hoofdvraag’) te vaag wordt om tot een zinnige conclusie te leiden. De deelvragen zijn er vaak met de haren bijgesleept, omdat leerlingen denken dat die verplicht zijn, en slaan allerlei zijpaden in die van de hoofdvraag afleiden. Het resultaat is een nietszeggend onderzoek met boterzachte conclusies.

Daarbij komt dat, voorzover ik weet, deelvragen in de professionele onderzoekswereld niet op deze manier worden gebruikt. Ik ben die in ruim 30 jaar natuurwetenschappelijk onderzoek tenminste niet tegengekomen en ook mijn vrienden in de sociale wetenschappen zijn er niet mee bekend. Wel is het belangrijk dat je alle begrippen en termen die je in je onderzoek hanteert goed definieert. Als je bijvoorbeeld gamesverslaving wilt onderzoeken, ben je verplicht te definiëren wat je onder verslaving verstaat. Dat mag je desnoods een deelvraag noemen, maar de logische denklijn gaat van onderzoeksvraag naar definitie van de ermee samenhangende begrippen. Daarmee voorkom je dat je in vaagheden en dubbelzinnigheden blijft steken.

Om die reden vragen we om veel tijd te besteden aan het nadenken en formuleren van de onderzoeksvraag of probleemstelling. ‘Wat wil je nu eigenlijk weten?’ ‘Wat fascineert je precies aan dit onderwerp?’ ‘Probeer te focussen op één aspect en niet alles tegelijk onderzoeken.’ ‘Formuleer je vraag zo dat die je ertoe brengt om naar feiten te zoeken.’ ‘Wanneer is je onderzoek een succes?’ En vooral: ‘Onderzoek iets dat je echt interesseert, wat je altijd al had willen uitzoeken en waar je plezier in hebt.’

Onzekerheid

Sommige leerlingen zijn zo onzeker over hun eigen capaciteiten dat ze vier of vijf keer bij je langs komen om te vragen of iets wel te onderzoeken is, of er wel een goed pws uit zal komen. Volgens mij kun je geen vraag bedenken die je niet zou kunnen onderzoeken. (Dat geldt ook voor metafysische vragen, waarvan je in elk geval kunt aantonen dat die niet op grond van feiten kunnen worden beantwoord.) Dus ja, in principe kun je alles onderzoeken. En nee, je vindt niet op alle vragen een antwoord, maar op weg erheen neemt je kennis en inzicht toe. En nee, het antwoord op je vraag is niet altijd het definitieve antwoord, maar vaak het begin van nieuwe vragen.

De kunst is leerlingen die zo twijfelen weer terug te brengen bij de nieuwsgierigheid, onbevangenheid en ontdekkingslust die ze hadden toen ze vijf of zes waren. Toen ze in de zandbak speelden en nog naar hartelust experimenteerden en zo hun omgeving en de natuurwetten leerden kennen. Toen ze zich niet lieten weerhouden door gedachten over wat moet en wat hoort. De kunst is ze het vertrouwen geven dat ze het kunnen. Erop blijven hameren dat er niet een juist antwoord is op een onderzoeksvraag, alleen een juist uitgevoerd experiment met een conclusie die op feiten gebaseerd is.

Maalstroom

Zo’n dag, waarop je als docent 40 of 50 leerlingen spreekt over de meest uiteenlopende onderzoeksplannen – van verslaving aan sociale media, het verband tussen chocolade en geluk, regenbogen in waterdruppels en oliedruppels, angstfobieën, het maatschappelijk effect van protestsongs, hersenschade door botsingen, ijstijden in het Krijttijdvak, zonnestormen, zijn vaders meer bepalend dan moeders voor het opleidingsniveau van kinderen?, tot ga maar door – zo’n dag dus waarop je nauwelijks tijd hebt om je boterhammen te eten, hoort voor mij tot de mooiste van het schooljaar. Je ziet het zelfvertrouwen groeien naarmate ze dieper duiken in de door henzelf opgeworpen vragen. Ze zijn trots op de initiatieven die ze nemen, afspraken die ze maken met academische onderzoekers en op de slimme oplossingen die ze bedenken voor hun experimenten.

Zo’n dag is een maalstroom van nieuwe ideeën en gedachten. Zo’n dag zou elke schooldag moeten zijn.

(O ja. Dit kan dus ook op de havo. En vroeger heb ik zo ook op de mavo gewerkt.)

Geef een reactie of deel je eigen ervaringen.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: